
| Vliegverbod is zegen voor trekvogels |
|
|
| maandag 19 april 2010 |
|
Het is de eerste keer in de geschiedenis van de commerciële luchtvaart dat vogels het luchtruim voor zich alleen hebben tijdens de trek van hun overwinteringgebieden in het zuiden naar hun broedgebieden in het noorden. Vooral trekvogels die grote hoogten bereiken, zien met het huidige vliegverbod één belangrijk gevaar wegvallen: ‘Bird Strikes’. Op dit moment zijn wellicht honderdduizenden trekvogels op weg naar hun broedgebieden en sommige soorten kunnen hoogten tot 9.000 meter bereiken. Vogels bereiken hun hoogtegrens wanneer de gereduceerde hoeveelheid zuurstof in de lucht en de lagere dichtheid van de lucht hun normaal functioneren belemmeren. Voor sommige soorten is dat op erg grote hoogte: Indische ganzen (Anser indicus) zijn waargenomen boven de top van de Mount Everest. De meeste trekvogels vliegen echter op een hoogte die het verstandigst is voor de reis die ze op dat moment ondernemen. De belangrijkste bepalende factor is de hoogte boven zeeniveau van de grond onder de trekvogel. Het vliegverbod is niet voor iedereen een vloek ...
Hoogvliegers zijn onder andere de Indische ganzen die de Himalaya oversteken op een hoogte van maximaal 9.000 meter tijdens hun reis van de bergmeren van Centraal-Azië naar hun wintergebieden in de Indusvallei, India. Een groep wilde zwanen (Cygnus cygnus) op weg van IJsland naar West-Europa werd door een piloot waargenomen op 8.230 meter hoogte. Wilde eenden (Anas platyrhynchos) hebben 6.400 meter bereikt, rosse grutto’s (Limosa lapponica) 6.000 meter en ooievaars (Ciconia ciconia) 4.800 meter tijdens de trek. Groepen kieviten (Vanellus vanellus) reizen vaak op gematigde hoogten maar zijn waargenomen op 3.900 meter, terwijl kramsvogels (Turdus pilaris) wel tot 3.300 meter hoog kunnen komen. Kleine zwanen (Cygnus columbianus bewickii) kunnen op 2.700 meter over Noord-Amerika vliegen, gierzwaluwen (Apus apus) – de meest luchtwaardige vogels – bereiken hoogten van 2.000 meter, sneeuwganzen (Anser caerulescens) zijn gezien op 1.500 meter en zilverplevieren (Pluvialis squatarola) op niet meer dan 800 meter.
Radarwaarnemingen tonen vaak aan dat trekvogels van hoogte wisselen om de beste hoogte te zoeken met de grootste hoeveelheid gunstige wind. Er wordt aangenomen dat ze in staat zijn vast te stellen hoe de wind hen beïnvloedt door hun afwijking te meten ten opzichte van de verre horizon. Verschillende methoden zijn gebruikt om te meten op welke hoogten vogels vliegen. Radar zorgt voor nauwkeurige hoogtemetingen en maakt het in zekere mate mogelijk de soort te determineren door het meten van formaat, snelheid en vleugelslag met de terugkerende echo. De overblijfselen van vogels die geraakt zijn door vliegtuigen worden geregistreerd, zeker als die vogels groot genoeg zijn om vliegtuigen in gevaar te brengen. Het is echter zo dat circa 90% van alle bird strikes zich voordoet tijdens de landing of het opstijgen. Dalende en stijgende vliegtuigen vormen dus altijd een bedreiging voor trekvogels.
|